inloggen

Pilling

Vooral de twist, binding, vezellengte, vezelsoort en de manier van gebruik spelen bij pilling een belangrijke rol. Belangrijk is om te weten of het verschijnsel tijdelijk of blijvend is. De stoffen worden met het Martindale-apparaat op pilling getest. Vijf ronde stalen worden gestansd, waarvan vier het apparaat ingaan en het vijfde als origineel wordt bewaard. Bij de test worden alle vier de stalen gelijktijdig op 100 toeren gedraaid. Na elke 100 toeren wordt één staal uit de machine gehaald, waarna de rest doordraait. Honderd toeren wordt verondersteld overeen te komen met een week intensief gebruik. Door de vier stalen te vergelijken met standaardwaarden, kan een conclusie worden getrokken over de mate van pilling. De uitslag wordt uitgedrukt in een schaal van 1 (extreme pilling)tot 5 (geen pilling).

Lichtechtheid
Het verschieten van de stof (lichtechtheid) wordt gemeten met behulp van een lichtkast waarin de daglichtsituatie wordt nagebootst met behulp van een xenonlamp. Tests met echt daglicht nemen doorgaans veel tijd in beslag, reden waarom meestal wordt gekozen voor de (internationaal meest gebruikte) xenonlichttest.

De helft van het testlapje wordt afgedekt evenals de helft van de acht lapjes uit de standaard blauwschaal (de blauwe standaardlapjes zijn aangeverfd volgens standaardgegevens uit de norm ISO 105 B02) en samen in de lichtkast gezet. Als de standaardlapjes hun standaardverkleuring hebben bereikt, stopt de machine en kan het testlapje worden gemeten. Het lapje uit de standaard blauwschaal, die loopt van 1 tot en met 8 waarop het testdoek het meeste lijkt, vormt de uitkomst van de test; 1 is slecht (de stof is behoorlijk verschoten), 8 is lichtecht (er is geen kleurverschil tussen de afgedekte en onafgedekte helft).

Slijtweerstand
De slijtweerstand of slijtvastheid wordt bepaald door middel van de Martindale-test waarin met behulp van een gewichtje een bepaalde druk wordt veroorzaakt op een wrijfnok. Deze nok wrijft al draaiend in concentrische cirkels over het te testen stuk stof. Wanneer er drie draden zijn gebroken, is het aantal toeren Martindale vastgesteld. Uiterlijke kenmerken als gaatjes, vaalheid, pilling, grip en structuurverandering worden echter eveneens meegenomen in de beoordeling. De waarden lopen voor meubelstoffen uiteen van 6.000 voor decoratieve stoffen tot minimaal 20.000 voor projectstoffen.

Wrijfechtheid
Of een stof kleur afgeeft in het gebruik (wrijfechtheid) wordt getest in de natte en droge wrijfechtheidstest,uitgevoerd volgens ISO-norm 105 X12 op de zogeheten crockmeter. Een bolletje aan een arm (testvinger) met daaromheen een stukje standaard witte katoen gewikkeld, wordt slag na slag (tien keer in tien seconden) over een proefstaal getrokken, zowel in de ketting als de inslagrichting. Gekeken wordt dan of er kleur is achtergebleven op het katoen van het bolletje. De hoeveelheid afgebloedde kleur wordt visueel gemeten aan een standaard grijsschaal van 1 tot en met 5, waarbij 5 voor het beste resultaat staat; de stof is wrijfecht.

Treksterkte
Op een dynamometer Zweigle Tensile testing F 441 wordt de treksterkte gemeten volgens norm ISO 5081. Naast de Martindaletest is het een van de meest toegepaste tests. Gemeten wordt de kracht, die nodig is om een strook stof te belasten tot breuk. Dit wordt zowel in de ketting- als in de inslagrichting gedaan. In de dynamometer wordt een stuk stof gespannen waar een bepaalde kracht op wordt gezet, zoals omschreven in de ISO-norm. TNO noemt dit de snelheid waarmee de garens woden belast, uitgedrukt in een hoeveelheid Newton (N).

Naadschuifweerstand
Onder naadschuifweerstand verstaat men de kracht die nodig is om de kettingdraden te laten verschuiven over de inslagdraden of omgekeerd. De verschuiving van de tweedraad systemen ten opzichte van elkaar wordt ook wel het schiften van de stof genoemd. Voor het bepalen van de schuifweerstand worden twee stalen aan elkaar genaaid volgend de norm en vervolgens belast met een bepaalde trekkracht, opnieuw uitgevoerd op de Zweigle. Bij schifting ontstaat bij de naad een opening tussen te twee staaldelen of een van de delen schuift geheel van de naad. Indien er geen afschuiving plaatsvindt gaat uiteindelijk de naad zelf breken. Indien dit het geval is, wordt de kracht die hiervoor nodig is, afgelezen en opgegeven en is de stof schuifvast.

Wol
Hoewel vrijwel ieder land in de wereld schapen houdt, lopen veruit de meeste schapen in Australië en Nieuw-Zeeland rond. Niet voor niets zijn deze twee landen de grootste wol-exporteurs ter wereld.

De consument antwoordt over het algemeen op de vraag wat onder wol wordt verstaan: Wol is afkomstig van de vacht van het schaap. In officiële regelgeving, zoals de warenwet, wordt echter onderscheid gemaakt tussen wol en scheerwol, waarbij de aanduiding scheerwol alleen mag worden gebruikt voor wol die rechtstreeks van de vacht van het schaap afkomstig is. Wanneer de benaming 'wol' wordt gebruikt, kan sprake zijn van herwonnen wol, bijvoorbeeld uit kleding.

Van de vele schapenrassen staan Merino, Cheviot en Crossbred bovenaan als het om de belangrijkste wolsoorten gaat. Wol van het Merino-schaap is fijn, zacht en sterk kroesend en wordt verwerkt tot dunne kamgarens die gemakkelijk vervilten. De vezellengte is kort en loopt uiteen van 4 tot 15 centimeter.

De stevige, dikke, weinig kroesende wolsoort Cheviot daarentegen bestaat uit veel langere vezels - 17 tot 40 centimeter. Doordat de schubben dichter tegen de vezel aanliggen dan bij Merinowol, heeft Cheviot meer glans. Bovendien is Cheviot beter kreukherstellend, vervilt minder snel dan Merino en kan tot grove, sterke garens worden gesponnen. Uit kruisingen tussen het Merino en Cheviot- ras is - de naam zegt het al - Crossbred ontstaan. De eigenschappen van deze wol liggen dan ook tussen Merino en Cheviot in.

Vaak worden diverse wolsoorten met elkaar vermengd om de gewenste kwaliteit te krijgen. Unieke eigenschappen van wol zijn natuurlijk in eerste instantie de warmte-isolatie en de veerkracht door kroezing en elasticiteit. Maar ook het vochtopnemend vermogen is voor meubelstoffen van belang, omdat dit er allereerst voor zorgt dat de wol in mooie, diepe kleuren te verven is dankzij de moleculaire opbouw van de vezel en comfortabel is in gebruik omdat het gemakkelijk bijvoorbeeld zweet opneemt, zonder zelf vochtig aan te voelen, en daarna langzaam weer afstaat. Het materiaal ademt. Over het algemeen is wol (afhankelijk van de verfmethode) goed lichtbestendig.

Mohair
De zachte, zijdeachtige haren van de vacht van de angorageit vormen de basis van mohair, wat in feite gewoon de Engelse benaming is voor angorawol. Dankzij haar kopvorm en wollige beharing heeft de angorageit veel weg van een schaap. Behalve in Zuid-Afrika en Frankrijk wordt de geit vooral veel gefokt in Australië en de Verenigde Staten. De vezel is 12 tot 13 centimeter lang,bijna altijd wit, soms grauw en slechts zelden zwart. Eén geit levert per jaar ongeveer 1,5 kilogram vezel. Behalve de kroezing, heeft angorawol dezelfde goede eigenschappen als wol van het schaap, maar is sterker en voelt comfortabeler aan.

Katoen
Katoen, of boomwol of Gossypium, is een vezel die als zaadpluis voorkomt in de vrucht van de katoenplant. De rijpe vrucht van de katoenstruik die ongeveer drie meter hoog kan worden, bestaat uit vezelvormige, eencellige haren, die ontstaan als uitstulpingen van opperhuid. Katoen is veruit de belangrijkste vezel voor de textielindustrie. het absolute gebruik van katoen over de wereld neemt nog altijd toe, ondanks de continu groeiende concurrentie van synthetische vezels. Meer dan zestig landen tussen 47° noorderbreedte en 30° zuiderbreedte verbouwen katoen.

Van de vier geteelde soorten is de belangrijkste Gossypium hirsutum, de zogenaamde 'uplandkatoen', zo genoemd omdat hij voor het eerst op grote schaal werd verbouwd op de hoger gelegen gronden van de katoenstreek in de Verenigde Staten. Deze soort wordt tegenwoordig overal verbouwd en vormt nu ruwweg 90% van de katoen in de wereldhandel. Gossypium barbandense, waartoe de Egyptische katoen en de Sea-Islandkatoen behoren, verschaft de langste en duurste vezel, waarmee de fijnere en kostbaardere weefsels worden gemaakt. Na Egypte wordt de barbandense-soort ook veel in Soedan, Perú en een heel klein beetje op de Westindische eilanden verbouwd.Afhankelijk van de soort varieert de vezellengte tussen de 15 en 50 millimeter (stapellengte) en de diameter van 0,02 tot 0,03 millimeter. Behalve de lengte zijn bijvoorbeeld uniformiteit in lengte, sterkte, fijnheid, rijpheid, kleur en zuiverheid van belang voor de kwaliteit van de katoen. De vezels die op het zaad van de katoenvrucht zitten worden erafgehaald voordat de zaden naar de pers gaan en worden gebruikt als grondstof voor rayon, ofwel viscose.

Dankzij de natuurlijke twist die in een katoenvezel zit en het waslaagje rondom de vezel, laat katoen zich makkelijk spinnen.Voor het bleken moet het waslaagje echter wel worden verwijderd omdat het bewerkingen en verven van het garen bemoeilijkt. Dit koken in een oplossing van soda of natronloog om de was te verwijderen, wordt ook wel kierkoken genoemd. Alleen bij ongebleekte katoen mag het waslaagje blijven zitten en biedt dan het voordeel dat de stof redelijk waterafstotend is. Wanneer in een later stadium de natronloog-oplossing nog eens voor de dag wordt gehaald, is het om de katoen te merceriseren. De oplossing veroorzaakt krimp, maar omdat de stof of het garen gespannen is wordt de krimp tegengegaan en zwelt de platte vezel op. De doorsnede wordt nagenoeg rond en de natuurlijke twist verdwijnt bijna geheel. Het resultaat is een wasechte glans, een grotere sterkte en een verhoogde vuilafstotendheid.

Zijde
Zijde is in feite het afscheidingsproduct van de zijderups en wel het spinsel waarin de rups haar laatste gedaanteverwisseling ondergaat van rups naar vlinder. De zijde komt uit het lichaam van de rups als een kleverige stof die aan de lucht hard wordt. Zijdeteelt is vooral bekend vanuit Aziatische landen, maar ook in Frankrijk en Italië worden zijderupsen gehouden.

De zijde wordt gewonnen door het afhaspelen van de cocon. Of eigenlijk: cocons, want het afhaspelen gebeurt met 5 tot 20 tegelijk die tijdens het afhaspelen tot een draad worden samengevoegd. De concons kunnen afkomstig zijn van rupsen die worden gekweekt of van wilde rupsen. De laatste leveren - logisch - wilde zijde (tussah)op.

Wat betreft de kweek, maken de telers gebruik van twee soorten rupsen, de Bombyx mori en Antheraea pernyi. Bombyx mori is bekender onder de naam moerbeirups en wordt gekweekt op moerbeibladeren in speciale gebouwtjes. Terwijl de Antheraea pernyi wordt gekweekt in de vrije natuur. Met dien verstande dat ze wel worden beschermd tegen hongerige vogels en ander natuurlijke vijanden. Evenals bij wol speelt de bodemgesteldheid bij zijdeteelt een grote rol in de uiteindelijke kwaliteit van het product. Net als het klimaat trouwens, dat veel invloed heeft op dikte en kleur van de zijde.

Omdat zijde al sinds mensenheugnis een zeer luxe stof is, heeft men door de eeuwen heen veel verfijningstechnieken ontwikkeld, waardoor vele soorten zijde zijn ontstaan. Shantoeng is een bekende zijdesoort, crêpe en organsin zijn namen voor zijden garens met een bepaalde behandeling en grègezijde is een ander woord voor ruwe zijde, zoals deze direct uit de cocon wordt gewonnen.

Het zijdefilament is het fijnste van alle natuurlijke vezels. Een cocon bevat immers zo'n 2400 meter zijdedraad; gezien de afmeting van een rupsje moet het wel zeer fijn draad zijn. In tegenstelling tot wol is zijdegaren glad (geen kroezing of geschubde structuur), vandaar de fraaie glans. Zijde is matig bestand tegen zonlicht. In meubelstoffen wordt zijde vanwege haar lage sterkte altijd gemengd met andere garens om te kunnen voldoen aan de zware eisen die consumenten aan hun zitmeubel stellen.

Linnen
Linnen wordt gewonnen uit de bast-of stengel van de vlasplant, die in het Latijn Linum usitatissimum heet. De beste vlassoorten worden verbouwd in Nederland, België, Frankrijk en Ierland. Het meeste vlas komt uit Rusland, ongeveer 80%. De bast van de vlasplant is opgebouwd uit bundels vezels, die door plantelijm, pectine, bijeen worden gehouden. De vezels kunnen een lengte hebben van 75 tot 90 centimeter en heten dan technische vezels. In praktijk gaat de lengte tijdens de bewerking verloren en wordt de lengte van de elementaire vezel teruggebracht tot ergens tussen de 2 en 5 centimeter. De linnenvezel is grover, onregelmatiger en langer dan de katoenvezel.

Dankzij de lange vezelstructuur van de plant heeft linnen een hoog gehalte aan wasachtige bestanddelen, die het doek later zijn specifieke, wasechte glans verlenen.
De hoge prijs die voor linnen moet worden betaald, wordt veroorzaakt door het grote aantal bewerkingen die de vlasplant moet ondergaan om tot een technisch verwerkbare vezel te komen. Het begint met het trekken van de plant, het verwijderen van de zaadbolletjes (repelen), verwijderen van de lijmstoffen (roten), drogen, breken van de stengels, houtdeeltjes verwijderen (zwingelen, afkoken, splitsen en evenwijdig leggen van de vezels (hekelen) en bleken.

Viscose
Zoekend naar een minder kostbaar doek dan zijde, werd meer dan honderd jaar geleden, in 1884, de eerste kunstmatige vezel gemaakt uit de restanten van katoenpluis (linters) of van naaldhout. Men noemde het kunstzijde. Via een scheikundige verbinding van een aantal stoffen (met de zogeheten xanthogenaatreactie van Cross en Bevan uit 1892)wordt uiteindelijk de geregenereerde cellulose, het rayon verkregen.

Later, na de tweede wereldoorlog, noemde men kunstzijde daarom rayon of viscose rayon en nu heet de vroegere kunstzijde gewoon viscose, genaamd naar de stroperige vloeistof die uit de opgeloste cellulose bestaat. Door de massa door een spindop te duwen, wordt het elementaire filament verkregen. Viscose vertoont normaal een hoge glans die hard en metaalachtig is. De glans kan naar believen worden getemperd van matig tot diep mat. Gematteerde viscose is echter minder tegen zonlicht bestand dan niet gematteerde viscose. Viscose is goedkoop en wordt daarom veel gebruikt in mengvormen met bijvoorbeeld katoen, wol of synthetische vezels.

Omdat de asis van viscose uit plantaardig materiaal bestaat, komen de eigenschappen van de stof overeen met andere cellulosestoffen als katoen of linnen.Het vochtopnemend vermogen is groot, de sterkte is iets minder dan van katoen of synthetische vezels, de elasticiteit en kreukherstellendheid is gering, het is een koele stof (slecht warmte-isolerend en kan net als alle cellulosevezels worden aangetast door 'het weer'.

Synthetisch vezels
Bij synthetische vezels is olie de belangrijkste grondstof. Via vele chemische processen komen producten tot stand als fenol of benzeen. Van deze stoffen wordt een vloeistof gemaakt met tot ketens aaneengeregen moleculen, polymeren genaamd. Deze vloeistof wordt door de spindop getrokken om het gewenste filamentgaren te verkrijgen .Eerst werden deze garens gesneden en gestapeld om zo tot garen te worden versponnen. Vanaf 1958 kon men het filament echter ook kroezen, en kon dankzij het in de lengterichting in elkaar drukken van de filamenten en fixeren, de kroezing van wol worden geïmiteerd. Zulk gekroesd garen heet BCF-garen (bulked coninuous filament)en is in vergelijking met normale filamentgarens beter warmte-isolerend, beter dekkend, maar heeft een matige veerkracht. De slijtvastheid is daartegen weer zeer groot net als de veerkracht. De synthetische vezelindustrie is steeds intensief bezig met research om betere eigenschappen voor de synthetische garens te verkrijgen. Zo is de vorm van de polyamide-vezel bijvoorbeeld sterk verbeterd, waardoor de stof veel minder snel vuil wordt. Ook is polyamide al lang niet meer statisch dankzij de koolstof kern in het garen.

Polyamide of nylon was de eerste synthetisch vezel, op de markt gebracht in 1936 door het Amerikaanse bedrijf DuPont de Nemours. In 1941 volgde polyester vanuit Engeland, in 1942 acryl vanuit Duitsland en Amerika tegelijkertijd en later ook polypropeen en trevira CS.